Ongelijkheid: waarom Thomas Piketty gevaarlijk is

Thomas Piketty is de econoom van de maand, maar zijn verhaal over inkomensongelijkeid is alleen historisch relevant, hij ziet de grote invloed van internet niet. Ik analyseerde zijn boek en geef een uitgebreide kritiek. De ontkenning van cyberspace als economische factor in de ongelijkheid tussen werk, kapitaal en talent maakt Piketty feitelijk gevaarlijk. MUST read voor CEO’s.

Rijken worden rijker, armen armer, het middenveld verschraalt, dat is wereldwijd een trend. De Occupy beweging maakte al duidelijk dat er op onderbuikniveau iets speelt en men de groeiende ongelijkheid niet meer zomaar accepteert, de 1% is te machtig, te rijk, te geïsoleerd. De vrij plotseling erg populaire Franse politiek econoom Thomas Piketty (Capital in the 21st century, 2013) kwam met een studie die met cijfers aantoonde dat die ongelijkheid er inderdaad is (en was) en dat die trend de laatste decennia steeds erger wordt. Hij wijt dat aan het feit dat het rendement op kapitaal (dat vooral naar de rijken gaat) groter is dan de groei van de economie (R>G) en daardoor geld van de werkers naar de kapitalisten stroomt. Zijn studie en zijn waarschuwing dat dit steeds verder zal gaan omdat het mechanisme van R>G niet te stoppen is, versterkt de hype rond de vermogens- en inkomensongelijkheid. Dat er ondertussen fundamentele veranderingen aan de gang zijn en dat vooral mobiele communicatie, globalisering, internet en de transparantie daarbij een rol spelen ontgaat hem blijkbaar. De globalisering, en die is weer mede het gevolg van internet heeft als duidelijk effect dat de ongelijkheid tussen landen vermindert, maar binnen landen versterkt, dus inkomensverschillen groter worden, maar misschien op een andere manier dan historisch gebeurde en in een ander perspectief dan wat Piketty schetst. Met name de polarisatie van inkomens en de verschuiving van de macht van het kapitaal naar talent is evident, de superrijken zoals bankiers en hedgefund speculanten, de getalenteerde toppers en zwaarbetaalde CEO’s nemen een steeds grotere hap uit de koek. De oude (rentenierende en weinig bijdragende) kapitalisten worden verdrongen door werkende en aandeelhoudende ondernemers die wel rijk(er) worden doordat hun ondernemingen groeien in waarde, maar zichzelf ook via salaris, bonus en opties veel beter belonen dan de managersklasse van de vorige eeuw. De globalisering, in eerste instantie door betere logistiek, maar vooral door betere communicatie leidde tot schaalvergroting en mobiliteit van mensen, productie, bedrijven, faam, succes. Dat leidde weer tot concentratie van macht, inkomen, kennis en status bij een steeds kleinere groep. Het winner-takes-all effect is zowel in de wetenschap, de kunst, entertainment als in de financiële wereld steeds duidelijker. Er zijn nieuwe kansen, nieuwe rijken, nieuwe bedrijven, nieuwe toppers, maar als die het halen zorgt de schaalgrootte van een wereldmarkt en het bereik en de snelheid van cyberspace snel voor een kopgroep, de 1% of zelfs 0,1% elite.


Internet is de economische factor die alles omgooit en de globalisering effectief maakte, waardoor het doortrekken van historische lijntjes qua inkomensverdeling, zoals Piketty doet, onbenullig wordt. Zijn visie sluit wel leuk aan bij het sentiment van de gefrustreerde bijna-rijken die door de crisis hun hoop, hun ‘American Dream’ in duigen zagen vallen, maar is eigenlijk niet meer dan terugkijken op de industriële revolutie en de vorige eeuwen, zonder veel waarde voor de toekomst. De politiek, ook in Nederland, springt helaas op die bandwagon en maakt er een soort agitprop van, populistische propaganda te eigen bate.


Mijn grootste bezwaar is dat Thomas Piketty niet in gaat op de consequenties van de moderne techniek, de transparantie, arbeidsverplaatsingen, concentratietendensen; hij ziet blijkbaar internet niet als een fundamentele economische verschuiving. Internet noodzaakt ons het denken en praten over werk, inkomen, verhoudingen en ongelijkheid in zekere zin helemaal om te gooien. Piketty doet dat niet, en dat is gevaarlijk. Zijn op zich diepgaand opgraven en helder maken van historische ontwikkelingen is voor de toekomst niet echt van belang, zijn aanbevelingen en conclusies zijn niet onderbouwd en irrelevant, maar zijn observatie dat inkomen- en vermogensongelijkheid uit de hand zijn gelopen, resoneert blijkbaar goed met de tijdgeest. Andere schrijvers zoals Chrystia Freeland in ‘Plutocrats’ (2012) geven een genuanceerder beeld, zeker van de recente ontwikkelingen en de rol van de financiële wereld en vooral de ‘hedge-funds’ of hefboomfondsen waar veel van de speculatiewinsten naar toe vloeien en de superrijken met hun fascinerende maar ook bijna dorpse isolatiepatronen en clustering te vinden zijn.


Het zijn met name de moderne financiële constructies en slecht gedekte maar steeds verlengde hefbomen (zoals hypotheekwaarden) die de crisis van 2008 veroorzaakten, maar ook voor het verder uit elkaar lopen van de inkomensverschillen zorgden. De privatisering zorgde hier en zeker in Oost-Europa voor nieuwe superrijken. In Mexico, China en India zijn de ‘rent-seeking’ plutocraten die tegen de overheid aanschurkten voor privileges, monopolies en geldmachientjes nog machtiger dan bij ons of in de VS, waar het de hedgefondsen en de internetondernemers werden die de miljarden verdienden. We zitten met een fundamenteel ander plaatje dan voorheen, de erfrijken en grootgrondbezitters zijn ingeruild voor plutocraten, met als resultaat ook nog wel groeiende ongelijkheid, maar Piketty’s analyses zijn in die zin historie. De oude landeigenaren, erfkapitalisten en renteniers bepaalden in eerdere eeuwen de verhoudingen en profiteerden van de centrifugale effecten van schaalvergroting (rijke randen, leeg midden), nu zijn het de superrijke ondernemers, vooral uit de ICT en grondstoffensfeer en ondernemende speculanten waar de inkomens en vermogensaanwas naar toe vloeien. Rendement als combinatie van dividend (of ingehouden winsten) en waardegroei (beurswaarde of private equity) is niet meer bruikbaar als economische barometer, want het zijn de 1% en hun ambitieuze en hoopvolle hulptroepen die de waarde bepalen. De beurs is een Baron van Münchausen fenomeen, trekt zichzelf aan de haren omhoog omdat de ronddolende pensioengelden nu eenmaal ergens heen moeten. De onderliggende waarde is uit het oog verloren of zelfs, met het oog op de verborgen milieukosten of kosten van bescherming tegen terreur, niet meer te bepalen is.

Inkomens- en vermogensverdeling en ongelijkheid

Het verschil in welvaart tussen landen neemt af door de globalisering, maar het verschil tussen rijk en arm binnen de landen neemt toe. De verhouding tussen inkomsten uit kapitaal en die uit werk begint de laatste decennia steeds onevenwichter te worden. De rijken worden rijker, de armen armer. De verhouding loopt uit de hand en simpel gezegd komt dat doordat de rijken (en steeds minder van hen met steeds meer geld) profiteren ten koste van de middengroepen en onderklasse die steeds minder verdienen en armer worden. Niks nieuws, maar vroeger waren die armen ver weg en roofden we hun bezit gewoon zonder er veel voor te betalen.

Nu zijn de verschillen tussen rijk en arm veel directer, de confrontatie heftiger. De grotere verschillen in beloning tussen de topmensen in het bedrijfsleven en de laagste baantjes doen pijn, mede door de crisis. Men loopt te hoop tegen de ongelijkheid zoals bij Occupy en de Arabische lente. De Occupy beweging maakte ook het Westen duidelijk dat er op onderbuikniveau iets speelt en men de groeiende ongelijkheid niet meer zomaar acepteert. Dat sloeg ondanks het inzakken van Occupy toch aan bij de massa en is opgepikt door de media. Zo wordt nu de zelfverrijking van de miljardairs, maar ook van politici, bankiers en baantjesjagers breed uitgemeten en van het label zakkenvullers voorzien.

Inkomensongelijkheid is, zeggen de economen, niet zozeer onrechtvaardig, maar tast het vertrouwen in elkaar, het systeem, de politiek en de democratie aan, en maakt het moeilijker omhoog te klimmen (social mobility). Het tast volgens de WRR ook de economische groei aan omdat rijken minder uitgeven en meer oppotten. Het is op termijn een kostbare situatie. In ‘The Spirit Level’ (2009) beschrijven Richard Wilkinson en Kate Pickett, aan de hand van allerlei vergelijkende statistieken dat grote inkomensongelijkheid correleert met: meer tienermoederschappen, meer geweld, meer gezondheidsproblemen, meer kindersterfte, meer obesitas, enzovoorts. Wat zijn de kosten daarvan, nemen we die mee in het plaatje?

Dat het uit de hand kan lopen is duidelijk maar ik denk dat investeren noodzakelijk is voor groei en luxe uitgaven innovatie bevorderen en cultuur in beweging houden. Zonder dure winkels die bestaan van rijke klanten toch geen mode, kunst, vitaliteit. Het communisme was (aan de buitenkant) een vlakke boel vergeleken met de bruisende economie van wereldsteden waar inderdaad de rijken de toon zetten.

De algemene indruk is nu dat het te gek is geworden en de media en de politiek maken er bijna een halszaak van, verwijzend naar wat Piketty, overigens ook samen met Emmanuel Saez, opdiepte uit de archieven. De rijken aanpakken met een zwaar progressieve vermogensbelasting gaat echter voorbij aan de veranderde verhoudingen, aan de historisch lage rentevoet (er is geen vast rendement meer te maken) en aan de volatile waardering van werkend kapitaal.

Kapitaal versus arbeidsinkomen

Hier komt dan geruchtmakend boek over de kapitaalsverhoudingen. ‘Capital in the 21st Century’ van Thomas Piketty in beeld. Het is een oorspronkelijk Frans boek (2013), gebaseerd op historische data van een paar eeuwen. Het is eigenlijk erg econometrisch en niet erg politiek, maar het heeft veel aandacht gekregen uit die hoek. Vooral linkse politici zoeken er steun in voor het aanpakken van het kapitaal, de vermogensongelijkheid en willen daarmee de inkomensongelijkheid verminderen, meestal ten koste van de vermogensongelijkheid, de rijken moeten bloeden.

Het boek behandelt de vraag of het rendement op kapitaal niet steeds bepalender wordt in de economie omdat daarmee ook steeds meer het evenwicht tussen inkomen uit werk en inkomen uit kapitaal verloren gaat; meer rijken en minder beloning voor werk dus. Piketty verwacht dat ook de komende jaren de vermogens harder zullen groeien dan het inkomen, waardoor de vermogensongelijkheid fors zal toenemen. Hij toont verder aan dat groot kapitaal beter rendement (dat is wat anders dan rente, die nu historisch laag is) krijgt dan de kleinere spaarder en daardoor nog sneller groeit; er is een schaalvoordeel voor grotere vermogens. Kapitaal en groei lopen de laatste tijd dus meer uit de pas en daardoor stroomt het geld naar de kapitalisten en bedrijven die steeds meer besparen en dat weer investeren.

Het verschil tussen wat met werk en door kapitaalsgroei en -investering wordt verdiend, groeit. Vanaf 1980 tot 2011 is de wereldwijde arbeidsinkomensquote gedaald van 63% naar 54%, dus er werd geleidelijk minder verdiend aan werk en meer aan kapitaal(groei). De trend van kapitaalsaccumulatie die begon in de vorige eeuw is door de globalisering alleen maar versterkt. In de twintigste eeuw was die volgens Pikkety onder meer door de grote oorlogen wat meer in evenwicht gekomen na de kapitalistische hoogtijdagen van de Belle Epoque (1870- 1914) en de industriële revolutie. Anderen zien de politieke opkomst van de arbeidersklasse als oorzaak van die matiging.

Piketty gebruikt de formule R>G met R voor rendement en G voor groei.

R is dan in procenten wat een kapitalist (of alle kapitalisten samen) aan z’n vermogen verdient en G is het percentage van de groei van de economie. Voor een nationale economie is R dus het rendement dat op alle privé kapitaal wordt gemaakt en G de groei van het nationaal product. Zijn centrale these is dat als het kapitaalsrendement groter is dan de groei (van het nationaal product, de hele economie) er geld naar het kapitaal stroomt.

Deze formule is een simplificatie maar zet het probleem van de spanning tussen die twee begrippen wel duidelijk neer.

Denk even aan een afgesloten economie met net zoveel kapitaal als het national inkomen, dus een simpele situatie. Als er 4% rendement wordt gemaakt op kapitaal bij een 1% groei van de economie (een situatie die vrij realistisch is) dan stroomt er 3% naar de kapitaalverstrekkers en dat gaat ten koste van de rest (werknemers, overheid). Zo zuigt het vermogen (kapitaal) dus op den duur de economie leeg. In de actualiteit is er nu veel meer kapitaal dan nationaal inkomen, dus is het leegzuig effect groter, de rijken worden nog sneller rijker.

Het rekensommetje is niet zo moeilijk, Piketty heeft een punt en komt met cijfers die dat ook aantonen, zeker voor de grote landen. Hij schetst de verontrustende trend dat omdat het vermogen al in handen is van een zeer kleine minderheid (de 1% rijken waar de Occupy beweging op afgeeft), die ook de beste rendementen weet te vinden of af te dwingen en steeds rijker wordt.

Dat is precies wat de laatste tijd duidelijk wordt, op wereldschaal. Omdat de economische groei ook door de crisis achterblijft bij het rendement en R dus steeds groter is dan G, wordt dat de laatste tijd steeds erger, de machtsbasis verschuift steeds meer van arbeid naar kapitaal.

Er is een perverse situatie ontstaan, het woord roof-kapitalisme (plunder-capitalism of predative capitalism) wordt wel gebruikt.

Hier zit de politieke angel van Piketty, want is dat ook voor de toekomst onvermijdelijk? Hij denkt van wel en dat past mooi bij de tijdgeest. Geef de rijken de schuld! Omdat die rijkdom volgens hem toch vaak door vererving is verworven (en daarna goed beheerd) heb je als arme sloeber niet veel kansen. Ongelijkheid dus, en niet alleen in geld op de bank of aandelen, maar ook in kansen. Rijke mensen spelen elkaar de bal toe en hebben ook meer over voor opleiding en netwerken, dat is sociaal kapitaal.

Daar is dus in zijn visie weinig aan te doen, al gelooft Piketty dat je met een (wereldwijde) progressieve vermogensbelasting de zaak wel kunt rechtttrekken. Leuk voor links, maar er is echter kritiek op z’n aanpak, want pakken we zo niet de kip met de gouden eieren aan? Het probleem is namelijk dat de groei vaak veroorzaakt wordt door wat die 1% rijken (of de innovatieve ondernemers op weg daar naar toe) doen en bedenken en dat is rendementsgedreven. Zij zijn niet alleen de profiteurs, maar ook de motor van de vooruitgang en ook niet alleen op geld uit. Dat Dagobert Duck beeld van vrekkige geld stapelaars is te beperkt; veel rijken beseffen ook wel dat dit niet houdbaar is en mensen als Soros, Buffet en Gates zijn bekende filantropen die miljarden geven voor allerlei projecten, maar het systeem echt veranderen doen ze niet.

Overigens wordt ook betwist dat overerving nog zo’n rol speelt, tegenwoordig zijn overbetaalde hedgefund beheerders, CEO’s en succesvolle ICT-ondernemers de nieuwe rijken, hoogstens zullen de erfgenamen van de huidige self-made miljardairs in de toekomst een grotere rol spelen.

Ook het idee van groei is wat dubbelzining. Groei van de economie wordt door besparingen of groei van het aantal deelnemers aan de economie (werkenden) gerealiseerd, de instroom van vrouwen heeft de formele BNP (of BBP) groeicijfers de laatste decennia onrealistisch vertekend.

Thomas Piketty is geen pessimist, hij voorspelt geen onvermijdelijke clash en systeemcrisis zoals Marx. Eigenlijk ziet hij, op basis van 300 jaar cijfers over de economie, een vrij stabiele (maar erg ongelijke) verhouding tussen kapitaal en inkomen en trekt die lijn (wat ongenuanceerd zeggen de critici) door. Pas in de 20e eeuw ging het door de oorlogen en crises (en de toegenomen mondigheid van de arbeiders stellen anderen) anders, maar de laatste decennia groeit het kapitaal weer ten koste van arbeidinkomen.

Het zijn niet alleen de werkers die steeds slechter betaald worden, ook de goedkope kredietverstrekkers (spaarders) betalen het gelag. Hun pensioen worden aangevreten door beheerskosten, inflatie en claims van een overheid die de systematische gaten (vergrijzing) probeert te dichten. De rijken die hun geld niet bij de bank tegen lage rente hebben vastgezet maar actief hebben gemaakt hebben minder last van inflatie, betoogt Piketty, omdat hun bezit (aandelen, grond) meer waardevast is.

De R>G formule is helder, maar ook in mijn visie wat te simpel. Rendement R is niet onafhankelijk van G en de groei G hangt weer van R af. De grootheden waar het om draait hangen van elkaar af. Kapitaal is ook nodig voor de economische groei, zonder investeren wordt er niemand beter van. Groei is een factor van kapitaal, maar kapitaal (verstrekken) weer een factor van (verwachte) groei. Het kapitaal aanpakken betekent ook de motor van de economie frustreren, dat mensen rijk en superrijk (kunnen) worden is ook sociaal-psychologisch een ambitie-factor.

Bij krimp wordt overigens de verschuiving naar kapitaalsinkomsten nog groter. Neem de situatie dat een economie bespaart (op grondstoffen) en daardoor krimpt, dat gaat nog meer ten koste van de arbeidsinkomsten, want de kapitaalverstrekker zal die besparing incasseren en het verschil tussen R en G wordt nog groter.

Ook spelen in dit spel tussen R en G de grootte van het kapitaal dat rendement zoekt en de grootte van het nationaal product mee. Want waarop maak je rendement? Toch niet over de totale waarde van een economie, zaken als grond en onroerend goed leveren wel rendement, maar overheidsbezittingen (publiek vermogen) meestal weer niet, hebben die dan geen waarde, ook niet als het om bedrijven en deelnemingen gaat? Het gaat om welk deel van het vermogen is omgezet in werkzaam kapitaal en dat zijn geaccumuleerde besparingen en gegroeide waarde (van aandelen bijvoorbeeld), maar er zijn andere waardes (vermogen) zoals grondstoffen in de bodem (ons gas is al bijna privaat kapitaal door de deals met de oliemaatschappijen) en de investeringen in onderwijs.

Piketty gooit vermogen en kapitaal op één hoop. Hij analyseerde echter vooral het rendement van kapitaal en geeft als voorbeeld dat rijke universiteiten in de VS op hun tientallen miljarden dollars aan vermogen wel 10% maken. Maar is dat realistisch, ook voor de kapitalisten bij ons of uitzonderlijk? De grote institutionele investeerders (die vooral met pensioengelden werken) proberen welmeer rendement te maken dan 4%, maar dat lukt in ieder geval in ons land maar matig. Men gebruikt nu ook de hedgefunds om wat meer opbrengsten te scoren, maar die speculeren weer leuk mee en dekken risico’s af door deals waar de pensioenfondsen op een andere manier in zitten.

De rijken maken hier ook niet de enorme rendementen waar Piketty het over heeft. Charlene de Carvalho-Heineken, de rijkste miljardaire van ons land met iets van 7 miljard vermogen krijgt een dividend dat de laatste jaren tussen de 1,5 en 2,5% ligt en ook Randstad stichter Frits Goldschmeding met 4,5 miljard trekt gemiddeld geen hoog dividend. Ook hier zijn de nieuwe rijken vooral werkende aandeelhouders en we kennen hier wel dikbetaalde bankiers, maar de miljarden aan salaris en bonussen van de Amerikaanse hedgefunds kennen we hier niet.

Het probleem van simplificaties is dat de economie veel complexer in elkaar zit dan wat formules. Zo lijkt het wel, alsof Piketty de basis van veel besparingen, de behoefte aan zekerheid, niet goed inschat. Veel zogenaamd kapitaal is een oudedagsreserves, mensen willen zekerheid voor later. Wanneer die zekerheid op een andere manier is geregeld zoals bij ons AOW-omslagstelsel, zullen mensen minder sparen. Je kunt dat virtueel of zelfs emotioneel kapitaal noemen, het negeren in statistiek en tekortberekeningen zoals ook de overheid en de WRR in zekere zin nog doen is onzin. De emotionele waarde vertaalt zich in gedrag, minder oppotten en dus een vertekende kapitaal/inkomensverhouding.

De Nederlandse situatie

De vraag over welk kapitaal dat rendement R gemaakt wordt en wie daarvan profiteert en waarom dat kapitaal er is, blijkt met name voor ons land van belang en hier gaat de redenering van Piketty niet goed op. Het onderscheid tussen kapitaal (werkend vermogen) en totaal vermogen speelt hier mee, wat zie je als kapitaal? Zo hebben we hier al heel lang een vermogensbelasting (de ondertusssen wat achterhaalde Box 3 aanpak kijkt naar de waarde, niet of je er iets mee verdient). Bij ons zijn de inkomenverschillen niet zo ver uit de pas gaan lopen, afgezien van het verdampen van het middenveld en een paar inhalige topmannen en hebben we een stabiliserende pensioenpot.

De vermogensverschillen lijken groot, maar vallen mee als je de pensioenaanspraken en reserves meeneemt. In Nederland, met zo’n 1100 miljard pensioenreserves, bijna twee keer zo groot als het nationaal product en bijna drie keer zo groot als de staatsschuld, is de R>G situatie dus misschien wel zorgelijk maar minder extreem. De herverdelende werking van het AOW-stelsel blijkt in Nederland zeer sterk te zijn, stelt ook de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid), maar bepaalt dus ook de zekerheidsbehoefte en dus kapitaalsbehoefte. Neem je mee, dat AOW aanspraken zorgen voor een mindere zekerheids/ kapitaalsbehoefte bij de massa en daarmee de vermogensverhoudingen beïnvloeden, dan wordt het plaatjes anders. De AOW is virtueel kapitaal dat in de praktijk ons spaargedrag beïnvloedt en dus volgens mij kan meetellen in het vermogensplaatje. Als we die AOW aanspraken heel conservatief waarderen op 100.000 euro (14.400 euro per jaar gekapitaliseerd bij een uitkeringsduur van 20 jaar is veel meer) dan heeft iedereen dus een virtueel kapitaaltje (te goed) en rekent daar ook mee. De vermogensverhoudingen tussen rijk en arm worden, als we dat virtuele kapitaal meerekenen, dan heel anders dan wat men nu aangeeft, namelijk dat 10% van de mensen 61% van het kapitaal in handen heeft (WRR studie 2014).

We hebben als Nederlanders en als staat ook wel schulden, maar zijn eigenlijk een enorm rijk land qua reserves. Het eigen-woning bezit hier is wat minder dan in andere Europese landen en de VS en het is zwaar belast met (aftrekbare) hypotheken, daardoor scoren we qua rijkdom niet helemaal in de top. We zijn enorm pensioenzwaar maar de waarde daarvan is helaas deels opgehangen aan te hoge waarderingen van onroerend goed. De pijn van onze economie zit in de hele manipulatie van de huur- en huizenmarkt en de hypotheekaftrek en de domme privatiseringen, die maar niet ophouden (de Amsterdamse Haven!) en niet zozeer in de R>G problematiek die wereldwijd wel aan de orde is.

Rendement maken en speculatie

We leven op krediet en virtuele speculatiewaardes en het kapitaal profiteert daar meer van dan de burger en werker. Maar wat is dan het kapitaal, vraag ik me af. Het bezit van de superrijken is meestal hun aandelenbezit, op basis van beurswaarde. Dat fluctueert en dan denken we dat ze rijker of armer worden, maar is dat wel waar? Ze kunnen of willen vaak die aandelen niet verkopen en hun winsten incasseren en het dividendrendement is meestal vrij beperkt.

Het onderliggende probleem is dus ook om echt rendement maken. De 10,2% rendement bij de Amerikaanse universiteiten die Piketty aangeeft, wordt behaald door grote risico’s te nemen en heel alert te zijn om de sprongen in bijvoorbeeld de beurskoersen te gebruiken. Het is alleen haalbaar bij stevige speculatie en dus ten koste van anderen. Je kunt nooit zelfs maar 4% echt rendement maken als er niet ergens ook bespaard of verdiend wordt op werk, grondstoffen of energie of als er productiviteits-groei is, anders is het speculeren en gaat het ten koste van een ander of is het potverteren zoals we met onze gasvoorraden doen.

Eigenlijk zou bij het denken over kapitaal een veel duidelijker onderscheid gemaakt moeten worden tussen hard rendement zoals dividend of huur en de koerswinsten. Beurskoersen hebben wel een soort basis in de intrinsieke waarde van het bedrijf en in koers/winstverhoudingen, maar juist de koersen van de grote spelers in bijvoorbeeld de ICT en daar zitten veel grote vermogens, zijn vaak erg speculatief. Investeerders, zeker degenen die per kwartaal leven en dat zijn helaas ook de grote fondsen, zoeken geen hard en stabile rendement, maar koerswinst en jagen elkaar op of juist de ellende in. Ook de winstbepaling van bedrijven houdt geen rekening met lange termijn effecten, milieuschade en de kosten van opheffing.

Denk aan de pensioenfondsen bij ons, grote organisaties die moeite hebben 4% te realiseren en daarbij naast dividend-en obligatie-inkomsten elkaar dus maar opjagen op de beurs en dat gaat geregeld mis. De feitelijke bezitters, dus de pensioengerechtigden, moeten ook nog de kosten van het fonds betalen en zien het Piketty schaalgrootte effect, als het er al is, niet terug. Ook allerlei beleggingsconstructies zijn zo opgetuigd, dat de kleine investeerder zelden een hoog rendement ziet. De banken, verzekeraars en de financiële wereld houden meer dan hun deel als kosten in. Maar, en dat matigt de kritiek, daar wordt dus feitelijk weer werkgelegenheid mee in stand gehouden.

Binnenlands is een hoog rendement bijna onhaalbaar, behalve dan in die onroerend goed markt, waar nu echter leegstand en vergrijzing hun tol eisen en we via huursubsidie vooral geld rondpompen. Dus zit ons geld (via de banken en fondsen) vaak in riskante avonturen in het buitenland en investeren we binnenlands maar weinig, terwijl we eigenlijk barsten van het geld, waar anderen dus profijt van hebben.

We hebben geld, er is gespaard, we zetten geld weg voor onze oude dag, maar investeren we dat echt verstandig? Natuurlijk, we kunnen investeren in bijvoorbeeld mobiliteit, energiebesparing en milieu en dat brengt zeker rendement, we hadden al lang hogesnelheidstreinen moeten hebben die het doen en getijde-centrales op de Noordzee. Maar wat doen we, we steken geld in staatsschulden van ‘zielige’ landen en laten de EU dat garanderen. Is dat rendement in klinkende munt, iets waar we nu geld in kunnen steken met een redelijke zekerheid voor wat betreft de resultaten? Er is een financiële carrousel opgetuigd, met absurde waardes voor onroerend goed en belastingtechnische slimmigheden, maar een normale bankcultuur of zorg-economie hebben we niet kunnen afdwingen. De overheid, het bedrijfsleven en de particulier doen allemaal mee in de ratrace, die we rationele economie noemen, maar die neerkomt op een soort geldkermis. De pensioenbeheerders jagen (namens ons dus) samen de beurskoersen omhoog, de onderliggende waarde telt nauwelijks.

Ik vóór Wij, zelf beter worden ten koste van het collectief!

De financiële ineenstorting die in 2008 de VS en daarna de wereldmarkt zo’n enorme klap gaf, had vooral te maken met illusies, het oprekken van de virtuele waarden van zekerheden (zoals huizen) in constructies in de beleggings- en investeringsmarkt. Dat was weer het gevolg van de toenemende behoefte aan zekerheid bij een ouder wordende bevolking, die steeds meer materialistisch en dus angstiger ging denken en werd verleid door de mooie projecties van de fondsen, banken en de overheid. De tijd dat je je beloning in de hemel kreeg zijn wel voorbij, de hel is een oude dag zonder hulp of pensioen!

Het leek zo eenvoudig, we gingen onze gespaarde welvaart, dus de pensioengelden die eigenlijk het grootste deel (80% zegt Sander Boelens) van het te investeren vermogen van banken, fondsen, bedrijven en de overheid vormen, zodanig investeren dat er rendement ontstond. Het probleem was alleen dat men dat rendement veel te beperkt zag, bijna als een virtueel spelletje, aan elkaar geknoopt met loze beloftes, verwachtingen en speculaties. Rendement werd een financiële constructie van luchtbellen, echt rendement in agrarische opbrengsten, gezondheid, milieu, in zinvol werk, energiebesparing, mobiliteit was nog wel ergens in beeld, maar niet meer bepalend. De economie werd een luchtbel, die dan ook klapte, maar hebben we wat geleerd? Het is nog steeds allemaal bonusje regelen, zakkenvullen, speculatie en luchtfietserij.

Vooral de institutionele beleggers zoals pensioenfondsen maken elkaar gek op de beurs, geholpen door een klein clubje ego-trippende wolven die elkaar proberen de loef af te steken zonder de echte belangen te behartigen. We beschermen vooral de schijnzekerheid, de rare en afgedwongen huurverhogingen van 6,5% de laatste jaren (waarvan 2,5% via de corporaties gewoon naar de staat gaat) krikken de huizenprijzen weer wat op, maar ook de huurquote. Wie kan 50% of meer van z’n inkomen betalen voor huur? Dat gebeurt nu, een AOW-trekker kan niet meer zonder huursubsidie, huren is absurd duur en dat bij een historisch lage rente. Het is beschermingsgedrag, de hele piramide van banken, pensioenfondsen en beleggingen blijft zo in stand ten koste van de spaarcenten van particulieren en het besteedbaar inkomen van de massa.

Echt rendement behalen is eigenlijk alleen mogelijk door te besparen op grondstof- en energieverbruik van morgen, door betere infrastructuur om vervoerskosten te drukken, maar vooral en daar zit de crux door meer ICT om in de toekomst te besparen op werk. Maar dat kost arbeidsplaatsen.

Beperkte visie en projectie, geen oog voor zelfcorrectie

Piketty erkent dat de belangrijkste factor in het beperken van de macht van het kapitaal de verspreiding van kennis en kunde is, maar gaat daarbij niet in op wat cyberspace daarin betekent. Hij gaat eigenlijk een beetje voorbij aan de laatste technische ontwikkelingen en eigenlijk ook aan de rol van internet, dat hij alleen noemt in relatie tot het klappen van de internet-bubble in 2001. Met name ziet hij niet dat de waarde van kennis afneemt, kennisongelijkheid is vaak de basis van de (over)winst en dus rendement(sverschillen), maar de cyberspace transparantie knaagt daar aan.

Hij schetst dus zonder daar rekening mee te houden een positief beeld waarin de wereldeconomie terugkeert naar de stabiele ‘default modus’ van het kapitalisme, tenminste als we een progressieve belasting op vermogen invoeren. Zijn aanname van 4 à 5 procent rendement en 1,5 procent groei voor de toekomst is meer een aanname. De lijntjes uit het verleden kun je gezien de technische ontwikkking niet doortrekken, zoals hij doet, zeker niet in het licht van de internet ontwikkelingen.

Zijn advies, progressieve vermogensbelasting, past wel in de trend om uitpuilende winsten van met name multinationals op slinkse manieren buiten de fiscus te houden. Hij lift mee op het anti-kapitaal gevoel, op het sentiment dat banken en bedrijven alleen maar op geld uit zijn. De geldwereld heeft zich, ook door de mogelijkheden snel geld weg te sluizen en online te speculeren, verscholen achter aan soort wal. Er is een soort van vesting geschapen rond het grote geld, daar kunnen buitenstaanders en zelfs regeringen niet meer bij, omdat het letterlijk in seconden weg kan schuiven.

Dat resulteerde in een onderbuik gevoel, dat zich al manifesteerde in de Occupy beweging. Men ziet Piketty nu als een soort nieuwe profeet. Onterecht, want bij alle mooie en verantwoorde cijfertjes zijn z’n conclusies en voorspellingen wel heftig, maar ook speculatief.

De oplossing van Piketty, progressief belasting heffen op vermogen, is zoals alle belastingen een kwestie van herverdeling en dat heeft gevolgen; de spelregels wijzigen en er zullen spelers af vallen (niet meer investeren of in niet belastbare dingen) en bij komen. Wat gebeurt er als je een bepaalde belasting heft? Vlucht het kapitaal en bij welke hoogte en waar naar toe? Het aan de economie onttrokken geld zou anders geïnvesteerd zijn in activiteiten met een rendement, dat dus ook verloren gaat. Dit soort overwegingen, die met elasticiteit, opportunity costs en draagvermogen te maken hebben en door Nobelprijswinnaar James Mirrlees ook zijn onderzocht, vertroebelen Pikketies argumenten voor vermogensbelasting als brede oplossing.

Er wordt wel gesuggereerd dat maatregelen als belasting op speculatie, geldverkeer (Tobin Tax), milieuverontreiniging en overconsumptie een betere manier zijn om het evenwicht tussen kapitaal en werk te herstellen. Verhogen van het minimumloon, iets wat in de VS nu speelt omdat men daarmee nu eigenlijk onder de armoede grens leeft, is ook een optie. Predistributie, dus voor belasting en herverdeling de verhoudingen verbeteren, is de meest elegante oplossing. Het klinkt simpel, maak de minima wat rijker, dus minder ongelijkheid, dat helpt de consumptie en vermindert de sociale stress.

Ook is het de vraag, of men een verder afnemende werkgelegenheid het hele economische model niet op de schop gaat, want wat zou bijvoorbeeld een basisinkomen voor iedereen betekenen voor rendementen en kapitaalsaccumulatie?

De economie mag dan wil schijnbaar afstevenen op een crisis, maar we zijn niet helemaal hulpeloos, meestal vindt men wel wegen om te grote ongelijkheid wat in te dammen. Het zelfcorrigerende vermogen van de samenleving is groot, en de crisis als waarschuwing is wel aangekomen. We zien beperkingen in topinkomens, extra belasting voor superrijken en beperking van superpensioenen.

Ook mis ik in het werk van Piketty kritiek op het begrip rendement, dat is namelijk geen rekenwaarde maar iets wat verankerd moet zijn in de realiteit; de meeste rendementen in de financiële wereld zijn fictief, houden geen rekening met de echte kosten en baten en lange termijn kosten qua milieu of zorg (voor werklozen bijvoorbeeld).

Piketty heeft veel losgemaakt, maar naar mijn mening is dat ook z’n voornaamste verdienste. Z’n boek vindt ik moeilijk leesbaar, vol met kritiek op eerdere onderzoekers die zich niet op brede data baseerden, maar hoe relevant zijn zijn keuzes, ook qua databronnen? Het blijft vol zitten met aannames, maar zijn die dekkend en ingecalculeerd? Hij noemt dat door kleinere gezinnen de erfsommen groter worden en daardoor vermogensverschillen toenemen in landen met weinig kinderen, maar werkt dat niet echt uit.

Rendement en de echte kosten

Het grote probleem is, ik noemde dat al, dat een 4% echt rendement op gebakken lucht eigenlijk onhaalbaar is in een potverterende en vergrijzende wereld, als we het in brede zin bekijken. Een actief hedge-fonds kan (met paitaal van anderen speculerend en gebruikmaken van hefboom-constructies) door steeds koerswinsten te effectueren (door kopen en verkopen) inderdaad dubbecijferige rendementen rapporteren, maar dat is speculatiewinst, dat gaat ten kosten van anderen. Sparen is een zekerstelling voor de toekomst, maar investeren (kapitaal verschaffen) doen we vooral omdat er rendement is. Onze investering komt terug in besparingen op kosten zoals energie of grondstoffen, maar vooral op arbeid. We steken er geld in en verwachten dat dingen beter, sneller of goedkoper gaan, dat noemen we dan vooruitgang. Maar is er nog echt rendement te verwachten van al die vooruitgang als we het breder bekijken? Niet in de zin van rente of papieren winsten, maar rendement in sociale zin en op lange termijn ook economisch.

Want rendement in die zin is een verhaal van baten, maar ook van kosten, risico’s en lange termijn gevolgen. Wat kost een werkeloze van 18, die nooit werk zal vinden, maar wel iets van inkomen, begeleiding en zorg nodig heeft en hoe houden we hem of haar op het rechte pad of wat kost correctief ingrijpen? Dergelijke kosten vegen we nu onder het tapijt van de medische voorzieningen, bijstand, zorg en justitie, maar zijn er wel degelijk. Ontevredenheid is een kostenpost, mensen zonder doel en zinvolle bezigheden gaan amok maken, worden ziek, lastig, crimineel of opstandig, en dat kost veel geld.

Rendement van investeringen is, in die brede visie, veel meer dan een nominale rente op vermogen, het is de totale som van kosten en opbrengsten van die investering en dat is inclusief de kosten van frustratie en opstandigheid. Lastig te bepalen, maar niet verwaarloosbaar.

 

Home

Dieptedossiers

Dealer Info TV

Dealer Info

Agenda

ICT webnieuws

Partnerdagen

Luc Sala's columns

Contact

Bedrijvengids

Archief

 

Vacatures

 
website development: GF&FA
Dealer Info • home
Vakblad voor ICT & CE retailers

Luc Sala's Blog
Shuttle Computers Handels GmbH
Wave Computers Nederland
ScanSource
G DATA Software AG
Dealer Info
Asus
Primacom